Huniaanse fotografie, of ‘breedhoekmacrofotografie’, is een techniek waarbij met een breedhoeklens en zo groot mogelijke scherptediepte kleine onderwerpen worden gefotografeerd. Het is een triviale naam die is afgeleid van de naam Albin Hunia (een Nederlandse fotograaf), en heeft in deze kleine internetgemeenschap postgevat. Met de techniek wordt beoogd kleine onderwerpen beeldvullend te fotograferen, met een zo scherp mogelijke achtergrond/omgeving. Zo kan bijvoorbeeld een insect zittend in het natuurlijke habitat worden afgebeeld. Daarbij is het insect scherp en de achtergrond voldoende scherp om herkenbaar te zijn.
Er wordt gebruikt gemaakt van standaard breedhoeklenzen en tussenringen van verschillende diktes. Het idee is niet nieuw. De consequente toepassing in de natuur(still)fotografie blijkbaar wel. In meerdere bekende natuurfilmdocumentaires van bijvoorbeeld de BBC en natuurfilms zoals ‘Microcosmos’ is het beoogde effect veelvuldig toegepast. Daar werd wel gebruik gemaakt van een andere techniek. Er werd gewerkt op een kleiner (kleiner dan 36x24mm) formaat film/beeldchip, wat eenvoudiger tot grote scherptediepte leidt, vergelijkbaar met de macrofunctie van moderne digitale compactcamera’s. Ook exotische lenscombinaties, zoals een zogenaamde ‘Frazier-lens’, geeft optisch andere mogelijkheden.
De techniek geeft de mogelijkheid om foto’s te maken waarbij meerdere onderwerpen in één beeld worden geïntegreerd. Vooral het herkenbaar ‘meedoen’ van de achtergrond – de omgeving van het onderwerp – is niet alleen het doel, maar ook de belangrijkste uitdaging bij het maken van aantrekkelijke beelden.
Dit staat haaks op de gewoonlijk toegepaste aanpak. In veel –vooral ‘macro-‘– fotografie wordt opzettelijk naar isolatie van het onderwerp gestreefd. Vooral met de scherpte wordt het onderwerp (bijvoorbeeld, nogmaals, een insect) benadrukt, ten opzichte van de omgeving. Die omgeving wordt daarbij zo onherkenbaar mogelijk afgebeeld: onscherp, zonder storende elementen en met een kleur die het hoofdonderwerp ondersteunt. Dit is relatief gemakkelijk te doen, aangezien het beeldvullend afbeelden van zeer kleine onderwerpen al een geringe scherptediepte met zich meebrengt. En wanneer langere lenzen worden gebruikt (100mm brandpuntsafstand, of meer, zoals de populaire 180 en 200mm macrolenzen), blijven nerveuzere onderwerpen ook met grotere waarschijnlijkheid zitten, omdat de scherpstelafstand groter is. Denk bijvoorbeeld aan libellen, vlinders en kikkers. Dat brengt het voordeel mee dat de langere lens door het verengde blikveld ook bijdraagt aan de isolatie van onderwerp van omgeving.
Door het toepassen van kórtere, in plaats van langere lenzen voor macrofotografie, wordt de uitdaging verlegd van ‘isolatie’ naar ‘integratie’ van het hoofdonderwerp en zijn omgeving. Niet alleen scherpte en onscherpte zijn daarbij belangrijk. De nadruk verschuift naar accentueren met licht (flits kan daarbij een belangrijke rol spelen) en de schikking van onderwerp en omgevingselementen.
Albin Hunia